U bevindt zich hier:  Uit de praktijk > Luciano

Uit Z-magazine TEKST Jorie Horsthuis.

- mei 2008 -

Luciano kwam in 1987 met vrouw en kind naar Nederland om een betere toekomst op te bouwen. Vanuit zijn caravan begon hij links en rechts te werken, maar het wilde niet vlotten en hij werd Z-verkoper. Sinds een paar maanden werkt hij via BSN Werktervaringsbedrijf.

Een klein mannetje met warrige haren en een onuitgeslapen kop wandelt de kantine binnen van een kantoor in Amsterdam-Noord. Zijn collega’s aan de lange tafel kijken op van hun gratis krantjes. “Héé Pavarotti!”, roept een van hen die net koffie voor zichzelf inschenkt uit een thermoskan. “Doe je haar eens goed, man!” Luciano wrijft door z’n kapsel. “Ja, het zit een beetje wild hè”, zegt hij, en hij loopt het hok in waar alle kluisjes staan. Hij trekt een blauwe overall en een jas met lichtgevend gele panden uit zijn kluisje en vult een plastic bekertje met thee. Dan ploft hij neer op een stoel.

Het is dinsdagochtend kwart over zeven en Luciano (51) moet vandaag werken. “Ik heb niet goed geslapen”, zegt hij. “Slaapstoornis hè. De hele tijd draaien en op de klok kijken. Net als het lekker warm is, moet je opstaan.” Luciano werkt op een maatschappelijke participatieplaats bij het BSN Werkervaringsbedrijf. Tussen de niet-willers, reïntegreerders, taakstraffers en leren-door-doeners moet hij langzaam klimmen op de ladder die de DWI (Dienst Werk en Inkomen) voor hem en zijn collega’s uitgetekend heeft. Het is de bedoeling dat hij uiteindelijk de laatste trede bestijgt – die naar een echte, betaalde baan.

Een donkere jongen in een wijde jas met een flinke bontkraag wandelt de kantine binnen. Zijn gouden tand schittert als hij zijn collega’s groet. Achter hem volgt een lange jongen met een kale kop. “Ik heb geen geld man”, zegt hij tegen niemand in het bijzonder. “Ik zou nog een rug krijgen, maar het is nog steeds niet binnen.” De jongen kijkt de kantine rond, maar krijgt niet echt een reactie. Hij loopt het hok in met alle kluisjes. “Je ken van mij wel een rug krijgen”, roept een man met een bril hem na die tegen de bar staat geleund. “Een zere rug.”

Luciano bladert door de Metro. “Kom je ook zo, Paparazzi?”, vraagt de man met de bril, een van de werkbegeleiders, terwijl hij richting het trappenhuis loopt. “Ciao bella.” Luciano knikt en probeert de rits van zijn jas dicht te krijgen. Het lukt niet. “Fucking hell”, scheldt hij, en uiteindelijk drukt hij alleen de knopen dicht. “Aardige man hoor, die Luciano”, zegt de werkbegeleider als Luciano naar buiten komt. “Maar je moet niet de hele dag fucking hell zeggen. Dat is niet netjes.” Luciano glimlacht. “Jajaja”, zegt hij.

In 1987 kwam Luciano met zijn vrouw en kind vanuit Italië naar Nederland. “We wilden een betere toekomst”, vertelt hij. “Achter Artis lag een braakliggend terrein, en daar zijn wij gaan wonen. Ik kon een oude circuswoonwagen kopen voor zevenhonderd gulden. Alles zat erin, een badkuip, een woonkamertje. We hadden geen water, geen elektriciteit, niks. Het was een mooie sfeer, we hadden het gezellig met elkaar. Maar op een gegeven moment wilden ze Artis uitbreiden en werd het terrein ontruimd. Toen ben ik gescheiden van mijn vrouw. We hadden vaak ruzie en zo, het ging niet meer. Daarna heb ik dertien jaar in de Celebesstraat gewoond en overal gewerkt. Als kok, als schoonmaker, ik heb heel veel werkervaring.”

De zon verschijnt aan de horizon. Buiten staat een hele groep mannen te roken. “Mooie dag hè”, zegt Luciano tegen Patrick, een werkbegeleider met veel gel in z’n haar. “Ja, lekker weertje”, antwoordt die. “Maar je gaat naar binnen vandaag. We moeten naar de NDSM-werf. De marechaussee heeft daar een groot feest gehad en wij gaan de laatste rommel opruimen.” Luciano vraagt een sigaretje van een collega en begint niet veel later flink te rochelen. “Gaat ‘ie?”, vraagt Patrick. “Iets te zwaar sjekkie?” Luciano schudt zijn hoofd en hoest nog even verder. Dan stapt hij in het witte bestelbusje, met zijn twee collega’s Ahmed en Jos.

“Wat was dat eigenlijk voor festival dan gister”, vraagt Jos (17) vanaf de achterbank. “Dat durf ik niet precies te zeggen”, antwoord Patrick. “En eigenlijk weet ik ook niet wat we daar zullen aantreffen. Ik weet alleen dat we het moeten opruimen.” Jos begint te lachen. “Dat grote gebouw? Ik ga slapen man, hiero in de auto. Kun je me naar huis brengen? Of nee, ik ga me ziek melden.” Hij zakt onderuit en trekt de klep van z’n pet verder over z’n gezicht. “Wat dit betreft heb ik een kort lontje, Jos”, waarschuwt Patrick. “Zet je je telefoon trouwens ook even uit?” Uit de boxen klinkt de jingle van Radio 538. “Ik ben hier sinds vandaag precies een jaar”, zegt Luciano. Maar niemand feliciteert hem.

Een paar jaar geleden ruilde Luciano zijn woning met iemand op de Nieuwezijds Voorburgwal, en vanaf dat moment ging het mis. “Ik ging om met de verkeerde mensen, begrijp je. Ik verloor m’n werk als kok, kon m’n huur niet meer betalen, m’n huis werd ontruimd, en klaar. Daarna heb ik in kraakpanden gezeten, maar daar werd ik ook uitgezet door de bewoners. Ik heb een bootje gekocht voor 350 euro in de buurt van de Zeeburgerdijk, ik moest kruipen om op m’n slaapplek te komen. Maar die boot was lek. Iedere dag moest ik het water eruit scheppen. En het was heel vochtig binnen, er zat schimmel aan mijn kleren. Dat was heel gevaarlijk voor mijn gezondheid, ik moest veel hoesten en was bang voor een longontsteking. Ik heb een medische indicatie aangevraagd, waardoor ik voorrang kreeg op een woning. Nu woon ik vlakbij de Czaar Peterstraat.”

Het NDSM-terrein is verlaten. Het is kwart over acht. Jos schopt tegen de deur van de werf. Dan komt de beheerder aangelopen. De vier mannen laten hun monden openvallen als ze zien hoe het er binnen uitziet. “Ooooh, sjonge jonge!”, roept Luciano. De vloer van de enorme hal ligt bezaaid met vertrapte bekers, bordjes en etenswaren. Het stinkt naar bier en pies. “Nou, het is een groot feest geweest”, constateert Patrick. “Vijfduizend man”, knikt de beheerder. “En de hal hiernaast is nog erger. Als jullie alle troep een beetje naar het midden vegen, dan komt er straks een grote veegwagen om de rotzooi op te pikken.”

De afvalgrijpertjes die de mannen hadden meegenomen, kunnen ze wel weer aan de kant zetten. Dit is het grote werk. Luciano en Ahmed beginnen te vegen. “Ik kan niet tegen stof”, zegt Jos direct, en hij kijkt Patrick aan. “Jij kan niet tegen stof”, fronst de werkbegeleider. Jos schudt driftig zijn hoofd. “Nou, dan ga jij maar rondlopen en al het grote afval in de container doen.” De jongen sloft er met de container vandoor. Een duif fladdert op en vliegt naar de balken vlak onder het hoge plafond van de werf. De hal is heel donker. Alleen door de opening aan de voorkant en door sommige dakplaten komt wat licht.

Ruim een jaar geleden hoorde Luciano dat hij in aanmerking kwam voor een uitkering. Hij ging werken als vrijwilliger bij Makom, een inloophuis voor dak- en thuislozen. “Koffie zetten, afwassen, tafels opruimen, broodjes smeren, soep scheppen”, somt hij op. Daarnaast bleef hij af en toe Z-magazine verkopen bij een Albert Heijn in Oost. Maar al snel verzocht de Dienst Werk en Inkomen (DWI) hem om aan een werkervaringstraject deel te nemen. “Ze hebben een diagnose gesteld en toen hebben ze mij naar Pantar gestuurd. Daar hebben ze me verschillende vacatures voorgelegd, en ik heb gekozen voor BSN. Ik vind het best leuk werk, en de collega’s zijn heel aardig. Ze zeggen ‘hé, Luciano’, weet je, ze hebben respect voor mij.”

Het DWI zorgde er ook voor dat Luciano in een schuldhulpverleningstraject werd geplaatst. “Iedere week houd ik 42 euro over om van te leven”, zegt hij. Maar zonder geld zitten, dat vindt Luciano niet zo erg. Zonder hond, dat vindt hij veel erger. “Elf jaar is mijn hond bij mij geweest”, vertelt hij. “Hij is hier geboren. We waren altijd samen. Maar toen ik ging werken, was hij tien uur op een dag alleen. Hij blafte, hij jankte, hij krabde de vloer kapot in mijn nieuwe huis. Mijn buren gingen klagen bij de wijkagent. Ik wist niet wat ik moest doen. Als ik hem zou houden, zouden we zo weer op straat staan. Ik heb hem naar het asiel gebracht. Een paar maanden later belde ik om te vragen hoe het met hem was. ‘Sorry meneer, die hond is weg’, zeiden ze. Ze hadden hem laten inslapen, omdat zijn heupen helemaal versleten waren. Ik mis hem heel erg. En iedereen die mij ziet vraagt ernaar. ‘Luciano, waar is je hond?’”

Het is kwart over negen en over een kwartier begint de pauze. Luciano en Ahmed zijn wel zo ongeveer klaar met vegen, vinden ze. Jos staat ook gereed om weer met het bestelbusje terug naar het kantoor te gaan. Alleen Patrick staat nog echt te vegen. Hij geeft Luciano en Ahmed aanwijzingen om in bepaalde hoeken nog wat rotzooi weg te halen, maar de mannen hebben geen zin meer. Zuchtend staan ze bij het busje als Patrick nog even wat met de beheerder overlegt. Niemand zegt wat tijdens de rit terug naar de kantine.

“Het lijkt we alsof we naar een trouwerij gaan, man, al die wagens”, zegt Jos als ze na de pauze weer op pad gaan. In een stoet verlaten de busjes het bedrijventerrein. Luciano, Jos en werkbegeleider Niels rijden richting Banne Buiksloot om de troep rondom de containers op te ruimen. “Een soort wijkverzorging houdt dat eigenlijk in”, legt Niels uit. “Eén bepaalde route rijden we. We zijn verantwoordelijk voor de bakken en de vijf meter daaromheen. Dat houden we allemaal schoon als het ware.” Het busje rijdt langs een container waar een complete zithoek naast staat gestald. “Dat is grofvuil hè”, vraagt Luciano. Niels knikt. “Grofvuil doen we niet.”

Bij de volgende container stappen de drie mannen uit hun wagen. De verfblikken, houten planken, vuilniszakken, dozen, en bloempotten gooien ze allemaal achter in de laadbak. “Ik ben hier vandaag precies één jaar, hè, Niels”, zegt Luciano vanaf de achterbank als ze weer zijn ingestapt. “Als dit betaald werk was, zou ik hier wel langer willen blijven werken. Ik wil graag een goede, betaalde baan, maakt niet uit wat. Het liefst zou ik in een klein eetcafeetje willen werken. Hapjes, broodjes, koffie, noem maar op, wat pasta, lekker makkelijk. Ik houd heel erg van koken. En ik wil graag weer beginnen met kunst. Met maskers, ik gebruik een soort glas-in-loodtechniek, en met leerbewerking, dat heb ik vijftien jaar gedaan. Ik sneed het leer van bankstellen die aan straat stonden of van oude leren jassen en daar maakte ik portemonneetjes van, tassen, sandalen, armbandjes. Maar ik heb geen atelier. En de laatste tijd heb ik ook geen inspiratie meer, ik weet ook niet waarom.”

Om half twaalf ligt de laadbak vol met huisvuil van de bewoners van Amsterdam-Noord. Niels maakt rechtsomkeert, richting het afvalpunt waar ze hun lading kunnen lossen. “Goeiemorgen”, zegt hij tegen de man bij de slagboom. “Wát?”, roept Jos uit. “Is het nog steeds ochtend? Sjonge jonge!” De jongen zakt diep weg in z’n stoel. Luciano kijkt uit het raam. “Of misschien ga ik wel terug naar Sardinië”, zegt hij. “Nadat ik met pensioen ben. Als ik dan nog leef.”

Luciano

Luciano